© Salo Muller 2008-2099
                         
Graag gedaan Salo,
Egbert Broers

Salo Muller japje mulder

oorlogsjaren

Mijn bijdrage aan het verzetsmuseum

De Hollandsche Schouwburg
Theater
De Hollandsche Schouwburg in Amsterdam is voor de oorlog gewoon een theater. Vanaf 1942 wordt het de belangrijkste verzamelplaats voor joden, een soort gevangenis. Na een tijdje moeten ze ‘op transport’, dan worden weggevoerd naar de kampen.

‘Een heel sterke herinnering heb ik aan de Hollandsche Schouwburg. Ik zag mijn vader en moeder. Ze stonden op het toneel en ik wilde naar ze toe. Ze zagen mij ook. Toen werd ik meegenomen door een verpleegster. Zij trok me met de hulp van een man weg. Ik moest mee de straat over, een ander gebouw in. Ik snapte er helemaal niets van.’






Smokkelen
Weggesmokkeld
De crèche wordt minder zwaar bewaakt dan de Schouwburg. Vaak staat er niet eens een bewaker voor de deur. Het is daarom mogelijk om kinderen uit het gebouw te smokkelen. Baby’s en peuters worden in een tas, doos, koffer of zelfs vuilnisemmer gestopt. Daarmee lopen de kinderverzorgsters naar buiten. Ook worden kinderen weggesmokkeld als ze met een groepje buiten een wandeling maken.

Tram en leeg klaslokaal
Als de tram door de straat rijdt kan de bewaker bij de Hollandsche Schouwburg de crèche niet zien. Dan kunnen de kinderverzorgster en het kind gewoon de voordeur uit lopen. Naast de crèche is een school. De schooldirecteur helpt ook mee.

Via de tuin van de crèche komen de kinderen in een leeg klaslokaal. Ze ontsnappen uit de school als de kust veilig is. Eenmaal buiten de crèche nemen andere verzetsmensen de kinderen over en brengen ze naar een veilige plek.

Het joodse crèchepersoneel in verzet
Henriëtte Henriquez Pimentel is vanaf 1926 directrice van de crèche. Ze is streng maar heel geliefd, en onafscheidelijk van haar hondje Brunie. In 1942 is ze 65 jaar oud. Samen met Walter Süskind, directeur van de Joodse Raad in de Hollandsche Schouwburg, bedenkt ze het plan om kinderen uit de crèche te redden. Zelf moet ze in juli 1943 mee op transport. Op 17 september 1943 wordt ze in Kamp Auschwitz vermoord.

‘Wat ik me herinner is dat een man me ’s avonds laat uit bed haalde, me op zijn schouders zette en met me wegliep. Bij de voordeur zag ik mijn oom staan. Ik was zo ontzettend blij om een bekend gezicht te zien, dat mijn familie me kwam redden.’
 

Onderweg
‘Ik was weg uit die rare crèche, en weer veilig bij mijn oom en tante. Totdat ik zag dat mijn tante een klein koffertje inpakte. Dat was voor mij. Ik moest dezelfde avond alweer weg. Nu begon mijn tocht langs verschillende adressen.
Van Amersfoort naar Zaandijk, naar Koog aan de Zaan en naar Friesland. Ik vond het naar en eng om onderweg te zijn. Je ging naar het onbekende, waar je steeds weer met nieuwe, vreemde mensen moest omgaan.’

 

Met de trein
De reis naar het onderduikadres in Friesland of Limburg gaat met de trein. Het zijn meestal vrouwen die de kinderen wegbrengen. Een vrouw met één of meer kinderen valt niet zo op. En de Duitse bezetters controleren vrouwen minder vaak.

Mond houden!
Voor de meeste kinderen is de treinreis een grote belevenis. Ze zijn nog nooit de stad uit geweest. Anderen zijn vooral bang. Ze mogen niet praten over hun ouders, vriendjes of de crèche. Ze mogen tijdens de reis niets zeggen of doen waardoor ze opvallen. Een joodse naam kan ze al verraden!

De oudere kinderen wordt verteld wat er aan de hand is. Ze begrijpen dat ze hun mond moeten houden. Aan kleine kinderen, die dat niet begrijpen, wordt juist niets verteld.

In onderduik
‘Ik was weg uit die rare crèche, en weer veilig bij mijn oom en tante. Totdat ik zag dat mijn tante een klein koffertje inpakte. Dat was voor mij. Ik moest dezelfde avond alweer weg. Nu begon mijn tocht langs verschillende adressen.
Van Amersfoort naar Zaandijk, naar Koog aan de Zaan en naar Friesland. Ik vond het naar en eng om onderweg te zijn. Je ging naar het onbekende, waar je steeds weer met nieuwe, vreemde mensen moest omgaan.’
 

Risico
De kinderen komen terecht in een nieuw gezin. Soms bij mensen die al kinderen hebben. Soms bij echtparen die zelf geen kinderen kunnen krijgen. Elk onderduikgezin neemt een risico. Als wordt ontdekt wat ze doen worden de pleegouders naar een concentratiekamp gestuurd.

Aanpassen
Voor de kinderen is het een grote verandering. Ze zijn weg van huis en hun familie. Ze moeten zich zo snel mogelijk aanpassen aan de nieuwe omgeving. Vaak krijgen ze een nieuwe naam, soms ook een ander geloof. Sommige kinderen moeten steeds van adres wisselen. Een deel van de kinderen heeft een goede onderduiktijd. Anderen voelen zich eenzaam en hulpeloos.
 

Na de oorlog
‘Na de bevrijding bleef ik bij beppe en omke Heddema wonen. Ik wilde er niet meer weg. Mijn tante heeft me opgespoord en kwam naar Friesland. Het moment dat ze mijn naam Salo uitsprak was zo’n schok, dat ik meteen ziek werd.
Begin 1946 moest ik weer in Amsterdam gaan wonen, bij mijn oom en tante. Beppe en omke kwamen de eerste week mee. Toen ze weer naar huis gingen had ik het heel moeilijk. Ik sprak alleen maar Fries en voelde me vreselijk verloren. Het heeft tijd gekost om te wennen. Met beppe en omke heb ik contact gehouden tot hun dood.’
 

Uit het kamp
Veel joodse ouders zijn vermoord in de kampen. Maar ongeveer de helft van de ondergedoken kinderen kan na de bevrijding terug naar de eigen vader of moeder. Vaak zijn die er niet goed aan toe. Ze komen verzwakt en depressief uit het kamp. Voor veel pleegouders en kinderen is het moeilijk om afscheid van elkaar te nemen.
 

Vechten om de kinderen
Wat moet er met de kinderen gebeuren die geen familieleden meer hebben? Mag het kind bij de pleegouders blijven, of moet het naar joodse mensen zodat het kind joods wordt opgevoed? Om veel kinderen wordt gevochten – door pleegouders, familieleden en vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap. Voor de kinderen zelf is dit heel verwarrend.
 

Gered ...
De kinderen van toen zijn nu oude mensen. Maar ook al is de oorlog zestig jaar geleden afgelopen, ze kunnen nog steeds niet bevatten dat zoveel familieleden zijn vermoord. En dat zij zijn gered.
 

Huize Henriëtte
Van de joodse verzetsmensen in en om de Schouwburg en de crèche overleven alleen de beide directeuren, Henriette Henriquez Pimentel en Walter Süskind, de oorlog niet. De crèche wordt in 1950 opnieuw geopend, op een andere plek, en met een nieuwe naam: Huize Henriëtte, genoemd naar Henriëtte Pimentel. De crèche in de Sarphatistraat bestaat nog steeds. Virrie Cohen wordt de nieuwe directrice. Een van de zalen wordt ´Zaal Yvonne´ genoemd, naar het dochtertje van Walter Süskind.


Oorlogspleegkinderen
Direct na de bevrijding wordt de Commissie voor Oorlogspleegkinderen (OPK) opgericht. De OPK ontfermt zich over de kinderen van wie de ouders niet zijn teruggekomen. De mensen van de Trouw-groep hebben hierin een grote rol. Gesina van der Molen wordt voorzitter van de OPK en Sándor Baracs wordt directeur.

De OPK krijgt veel kritiek. Ze zouden zich te veel inzetten voor de belangen van de – christelijke – pleegouders. Ongeveer een derde van de kinderen wordt toegewezen aan de pleegouders. De meerderheid van de weeskinderen wordt ondergebracht in joodse pleeggezinnen of joodse kindertehuizen.

 

wpd6110e18.jpg