© Salo Muller 2008-
Graag gedaan Salo,
Egbert Broers
Salo Muller japje mulder
oorlogsjaren
Mijn bijdrage aan het verzetsmuseum
De Hollandsche Schouwburg
Theater
De Hollandsche
Schouwburg in Amsterdam is voor de oorlog gewoon een theater. Vanaf 1942 wordt het
de belangrijkste verzamelplaats voor joden, een soort gevangenis. Na een tijdje moeten
ze ‘op transport’, dan worden weggevoerd naar de kampen.
‘Een heel sterke herinnering
heb ik aan de Hollandsche Schouwburg. Ik zag mijn vader en moeder. Ze stonden op
het toneel en ik wilde naar ze toe. Ze zagen mij ook. Toen werd ik meegenomen door
een verpleegster. Zij trok me met de hulp van een man weg. Ik moest mee de straat
over, een ander gebouw in. Ik snapte er helemaal niets van.’
Smokkelen
Weggesmokkeld
De crèche wordt minder zwaar bewaakt dan de Schouwburg. Vaak staat er niet eens een
bewaker voor de deur. Het is daarom mogelijk om kinderen uit het gebouw te smokkelen.
Baby’s en peuters worden in een tas, doos, koffer of zelfs vuilnisemmer gestopt.
Daarmee lopen de kinderverzorgsters naar buiten. Ook worden kinderen weggesmokkeld
als ze met een groepje buiten een wandeling maken.
Tram en leeg klaslokaal
Als de tram door de straat rijdt kan de bewaker bij de Hollandsche
Schouwburg de crèche niet zien. Dan kunnen de kinderverzorgster en het kind gewoon
de voordeur uit lopen. Naast de crèche is een school. De schooldirecteur helpt ook
mee.
Via de tuin van de crèche komen de kinderen in een leeg klaslokaal. Ze ontsnappen uit de school als de kust veilig is. Eenmaal buiten de crèche nemen andere verzetsmensen de kinderen over en brengen ze naar een veilige plek.
Het joodse crèchepersoneel in verzet
Henriëtte Henriquez Pimentel is vanaf 1926 directrice
van de crèche. Ze is streng maar heel geliefd, en onafscheidelijk van haar hondje
Brunie. In 1942 is ze 65 jaar oud. Samen met Walter Süskind, directeur van de Joodse
Raad in de Hollandsche Schouwburg, bedenkt ze het plan om kinderen uit de crèche
te redden. Zelf moet ze in juli 1943 mee op transport. Op 17 september 1943 wordt
ze in Kamp Auschwitz vermoord.
‘Wat ik me herinner is dat een man me ’s avonds laat uit bed haalde, me op zijn schouders
zette en met me wegliep. Bij de voordeur zag ik mijn oom staan. Ik was zo ontzettend
blij om een bekend gezicht te zien, dat mijn familie me kwam redden.’
Onderweg
‘Ik was weg uit die rare crèche, en weer veilig bij mijn oom en tante. Totdat
ik zag dat mijn tante een klein koffertje inpakte. Dat was voor mij. Ik moest dezelfde
avond alweer weg. Nu begon mijn tocht langs verschillende adressen.
Van Amersfoort
naar Zaandijk, naar Koog aan de Zaan en naar Friesland. Ik vond het naar en eng om
onderweg te zijn. Je ging naar het onbekende, waar je steeds weer met nieuwe, vreemde
mensen moest omgaan.’
Met de trein
De reis naar het onderduikadres in Friesland of Limburg gaat met de trein.
Het zijn meestal vrouwen die de kinderen wegbrengen. Een vrouw met één of meer kinderen
valt niet zo op. En de Duitse bezetters controleren vrouwen minder vaak.
Mond houden!
Voor de meeste kinderen is de treinreis een grote belevenis. Ze zijn
nog nooit de stad uit geweest. Anderen zijn vooral bang. Ze mogen niet praten over
hun ouders, vriendjes of de crèche. Ze mogen tijdens de reis niets zeggen of doen
waardoor ze opvallen. Een joodse naam kan ze al verraden!
De oudere kinderen wordt verteld wat er aan de hand is. Ze begrijpen dat ze hun mond
moeten houden. Aan kleine kinderen, die dat niet begrijpen, wordt juist niets verteld.
In
onderduik
‘Ik was weg uit die rare crèche, en weer veilig bij mijn oom en tante. Totdat
ik zag dat mijn tante een klein koffertje inpakte. Dat was voor mij. Ik moest dezelfde
avond alweer weg. Nu begon mijn tocht langs verschillende adressen.
Van Amersfoort
naar Zaandijk, naar Koog aan de Zaan en naar Friesland. Ik vond het naar en eng om
onderweg te zijn. Je ging naar het onbekende, waar je steeds weer met nieuwe, vreemde
mensen moest omgaan.’
Risico
De kinderen komen terecht in een nieuw gezin. Soms bij mensen die al kinderen
hebben. Soms bij echtparen die zelf geen kinderen kunnen krijgen. Elk onderduikgezin
neemt een risico. Als wordt ontdekt wat ze doen worden de pleegouders naar een concentratiekamp
gestuurd.
Aanpassen
Voor de kinderen is het een grote verandering. Ze zijn weg van huis en hun
familie. Ze moeten zich zo snel mogelijk aanpassen aan de nieuwe omgeving. Vaak krijgen
ze een nieuwe naam, soms ook een ander geloof. Sommige kinderen moeten steeds van
adres wisselen. Een deel van de kinderen heeft een goede onderduiktijd. Anderen voelen
zich eenzaam en hulpeloos.
Na de oorlog
‘Na de bevrijding bleef ik bij beppe en omke Heddema wonen. Ik wilde
er niet meer weg. Mijn tante heeft me opgespoord en kwam naar Friesland. Het moment
dat ze mijn naam Salo uitsprak was zo’n schok, dat ik meteen ziek werd.
Begin 1946
moest ik weer in Amsterdam gaan wonen, bij mijn oom en tante. Beppe en omke kwamen
de eerste week mee. Toen ze weer naar huis gingen had ik het heel moeilijk. Ik sprak
alleen maar Fries en voelde me vreselijk verloren. Het heeft tijd gekost om te wennen.
Met beppe en omke heb ik contact gehouden tot hun dood.’
Uit het kamp
Veel joodse ouders zijn vermoord in de kampen. Maar ongeveer de helft
van de ondergedoken kinderen kan na de bevrijding terug naar de eigen vader of moeder.
Vaak zijn die er niet goed aan toe. Ze komen verzwakt en depressief uit het kamp.
Voor veel pleegouders en kinderen is het moeilijk om afscheid van elkaar te nemen.
Vechten om de kinderen
Wat moet er met de kinderen gebeuren die geen familieleden
meer hebben? Mag het kind bij de pleegouders blijven, of moet het naar joodse mensen
zodat het kind joods wordt opgevoed? Om veel kinderen wordt gevochten – door pleegouders,
familieleden en vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap. Voor de kinderen zelf
is dit heel verwarrend.
Gered ...
De kinderen van toen zijn nu oude mensen. Maar ook al is de oorlog zestig
jaar geleden afgelopen, ze kunnen nog steeds niet bevatten dat zoveel familieleden
zijn vermoord. En dat zij zijn gered.
Huize Henriëtte
Van de joodse verzetsmensen in en om de Schouwburg en de crèche overleven
alleen de beide directeuren, Henriette Henriquez Pimentel en Walter Süskind, de oorlog
niet. De crèche wordt in 1950 opnieuw geopend, op een andere plek, en met een nieuwe
naam: Huize Henriëtte, genoemd naar Henriëtte Pimentel. De crèche in de Sarphatistraat
bestaat nog steeds. Virrie Cohen wordt de nieuwe directrice. Een van de zalen wordt
´Zaal Yvonne´ genoemd, naar het dochtertje van Walter Süskind.
Oorlogspleegkinderen
Direct na de bevrijding wordt de Commissie voor Oorlogspleegkinderen
(OPK) opgericht. De OPK ontfermt zich over de kinderen van wie de ouders niet zijn
teruggekomen. De mensen van de Trouw-
De OPK krijgt veel kritiek. Ze zouden zich te veel inzetten voor de belangen van de – christelijke – pleegouders. Ongeveer een derde van de kinderen wordt toegewezen aan de pleegouders. De meerderheid van de weeskinderen wordt ondergebracht in joodse pleeggezinnen of joodse kindertehuizen.
